8 x de kindcheck: Wanneer voer je hem uit en hoe doe je dat?

8 VRAGEN OVER DE KINDCHECK

De kindcheck is onderdeel van de Wet Verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. Het doel is om kinderen in risicovolle situaties zo vroeg mogelijk in beeld te krijgen en goede hulp in gang te zetten. De kindcheck geldt voor alle professionals die werken met volwassen cliënten. Maar wanneer voer je de kindcheck uit en hoe doe je dat?

AUTEUR: EDITH GEURTS

1. Wat is de kindcheck?

 

De kindcheck houdt in dat je bij bepaalde groepen volwassenen nagaat of zij voor minderjarige kinderen zorgen en zo ja, of die kinderen veilig bij hen kunnen opgroeien. Je voert de kindcheck uit bij volwassen patiënten die bijvoorbeeld ernstige psychische problemen hebben, drugs- of alcoholverslaafd zijn of een gewelddadige partner hebben. Op basis van signalen van ouders, ofwel oudersignalen, ga je systematisch na of kinderen mogelijk in een risicovolle situatie opgroeien.

 

2. Wie voeren de kindcheck uit?

 

De kindcheck is verplicht voor iedereen die onder de Wet Verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling valt. In eerste instantie is de kindcheck bedoeld voor professionals die voornamelijk met volwassen patiënten werken. De overheid wijst erop dat ook zij een verantwoordelijkheid hebben in het signaleren van kindermishandeling: ook als je de kinderen niet ziet of niets aan de kinderen ziet, kun je je zorgen maken over hun (thuis)situatie.

 

Daarnaast geldt de kindcheck voor professionals die met kinderen werken, zoals in de jeugdgezondheidszorg of op een kinderafdeling. Ook hier kunnen oudersignalen leiden tot zorgen om kinderen.

 

3. Waarom de kindcheck?

 

Ouderkenmerken zijn de belangrijkste voorspellers (voor het ontstaan) van kindermishandeling. Zo blijkt dat 82 procent van de ouders die hun kind hebben mishandeld, zelf een traumatische voorgeschiedenis of jeugd heeft; 21 procent van hen is in behandeling geweest bij een psychiater. Ook is de kans op kindermishandeling groter als ouders voortdurend in conflict zijn met elkaar of psychische en verslavingsproblemen hebben.

 

Omdat bepaalde kenmerken van ouders tot meer risico op kindermishandeling leiden, breidde de overheid de Wet Verplichte meldcode in 2013 uit met de kindcheck. Dit gebeurde onder meer vanwege de goede resultaten die Medisch Centrum Haaglanden en Veilig Thuis Haaglanden boekten met hun ouderprotocol. Onderzoek wees namelijk uit dat de vermoedens op kindermishandeling, geuit door professionals op basis van oudersignalen, in 90 procent van de gevallen door Veilig Thuis werden bevestigd.

 

4. Wanneer voer je de kindcheck uit?

 

Je voert de kindcheck uit als problemen van je volwassen patiënt de gezondheid, het welzijn of de veiligheid van minderjarige kinderen ernstig kunnen bedreigen. Het gaat dan bijvoorbeeld om volwassenen die:

  • hevige en/of acute psychische problemen hebben, zoals een ernstige depressie of manie, psychose of dissociatie;
  • leiden aan ernstige en/of acute suïcidale gedachten en/of gedrag;
  • structureel agressief gedrag vertonen;
  • (vermoedelijk) slachtoffer zijn van huiselijk geweld;
  • ernstig verslaafd zijn aan alcohol, drugs of andere middelen;
  • in een crisissituatie verkeren, zoals problematische schulden of (dreigende) huisuitzetting;
  • ernstige chronische lichamelijke problemen hebben;
  • verstandelijk beperkt zijn;
  • vrezen voor eergeweld;
  • extreem onhygiënisch, onveilig of zeer slecht gehuisvest zijn.

 

Let op: als een ouder problemen heeft, betekent dit niet per se dat hij of zij een kind niet goed kan opvoeden. Een depressieve moeder kan bijvoorbeeld geregeld hebben dat er een vaste oppas is voor de kinderen.

 

5. Welke vragen stel je met de kindcheck?

 

Voorbeelden van algemene vragen die je met de kindcheck stelt:

  • Wonen er (de hele week) minderjarige kinderen bij u in huis?
  • Deelt u de zorg voor hen met een volwassene? Hoe is de zorg verdeeld?
  • Waar verblijven de kinderen overdag?

 

Bij al deze vragen is het van belang dat je doorvraagt om een concreet beeld te krijgen van de situatie.

 

Vragen over de zorg voor kinderen in de huidige situatie van de patiënt:

  • Lukt het u om uw kinderen aandacht, tijd en zorg te geven?
  • Hoe houdt u voldoende toezicht op uw (kleine) kinderen?
  • Wie doet de praktische zaken, zoals kinderen naar school brengen, koken en wassen?
  • Welke mensen kunnen u helpen als de zorg voor uw kinderen u te veel wordt? Wat kunnen zij doen?

 

Let op:

  • Vraag patiënten of zij misschien zwanger zijn. Voor ongeboren kinderen kunnen bepaalde situaties zeer schadelijk zijn.
  • Voer de kindcheck ook bij adolescente patiënten uit als zij met eerder genoemde problemen kampen en in een gezin wonen met minderjarige broertjes of zusjes.

 

6. Welke stappen neem je?

 

De eerste stap is signalen in kaart brengen, zoals de meldcode voorschrijft. In dit geval: oudersignalen die mogelijk een risico vormen voor minderjarige kinderen.

 

Als de patiënt eerlijk antwoord geeft op jouw vragen en zich bewust is van de reële risico’s voor de kinderen, neem je de volgende stappen:

  • Ga na of de patiënt jouw zorgen over de kinderen overtuigend heeft weggenomen.
  • Bij twijfel vraag je een collega of Veilig Thuis om mee te denken. Zet eventueel professionele hulp in of ondersteuning uit het netwerk van de patiënt.
  • Blijven je zorgen bestaan, leg je patiënt dan uit dat je Veilig Thuis inschakelt voor een onderzoek naar de situatie van de kinderen. Vertel dat het gezin mogelijk (extra) hulp krijgt.

 

Ontwijkt je patiënt je vragen, krijg je onvoldoende of onjuiste informatie of is je patiënt zich niet bewust van de risico’s voor de kinderen, handel dan als volgt:

  • Ga na of er hulpverleners bij het gezin betrokken zijn die de situatie van de kinderen kunnen helpen beoordelen.
  • Is dat niet het geval, leg je patiënt dan uit dat je de meldcode gaat volgen en Veilig Thuis om advies gaat vragen. Vertel dat dit kan leiden tot een onderzoek naar de situatie van de kinderen en zo nodig tot (extra) hulp.

 

Let op: de kindcheck leidt er dus niet altijd toe dat je alle vijf de stappen van de meldcode doorloopt. Zoek in de meldcode van jouw organisatie op wat jouw taken en verantwoordelijkheden precies zijn.

 

7. Wat te doen bij eenmalig contact?

 

Zie je je patiënten eenmalig of maar kort, dan is een gesprek over eventuele risico’s voor kinderen niet altijd mogelijk. Bijvoorbeeld als je op de spoedeisende hulp van een ziekenhuis werkt of bij de ambulancedienst. Toch kun je in dat geval wel degelijk iets voor de kinderen betekenen:

  • Tref je een patiënt met eerder genoemde problemen, vraag dan in ieder geval of je patiënt zorgdraagt voor minderjarige kinderen. Is dat het geval, leg je patiënt dan je zorgen voor. Vraag vervolgens advies aan Veilig Thuis. Soms is het mogelijk professionele hulp of ondersteuning van het eigen netwerk in te schakelen. Zoek daarom altijd naar samenwerking met hulpverleners die al contact hebben met je patiënt en het gezin.
  • Draag de verantwoordelijkheid voor je patiënt pas over als iemand anders de hulp op zich neemt.

 

Is het onmogelijk om deze stappen te zetten, bespreek dan met je patiënt dat je een melding doet bij Veilig Thuis. Ga na in de meldcode van jouw organisatie welke taken en verantwoordelijkheden jij precies hebt. Neem je zorgen om de situatie van de kinderen altijd serieus en doe er iets mee.

 

8. Oudersignalen? In het dossier!

 

Leg de oudersignalen vast in het patiëntdossier. Beschrijf daarin:

  • de omstandigheden van de patiënt waardoor jij risico vermoedt voor de gezondheid, het welzijn en de veiligheid van de kinderen;
  • of er minderjarige kinderen bij de patiënt thuis wonen, wie voor hen zorgt en of er misschien een baby op komst is;
  • de eventuele vervolgstappen die jij als professional neemt op basis van de situatie en het gesprek met je patiënt.

 

Bron: Handleiding Kindcheck - Augeo.